Spring naar inhoud

Idee gejat of toch niet?

Het Hof Amsterdam heeft zich op 7 april 2020 uitgelaten over de vraag of de Rabobank een idee heeft ‘gejat’ van een persoon die zich met een goed idee bij de bank had gemeld.

Wat was er aan de hand en welke lessen kunnen uit deze zaak getrokken worden?

In februari 2012 heeft de heer X telefonisch contact opgenomen met de Rabobank omdat hij een goed idee had voor de bank. Per e-mail maakte hij vervolgens de inhoud van zijn idee bekend.

Het idee waar het om ging is het standaard beperken van de gebruiksmogelijkheden (met name het geografische gebied en maximumbedragen) van betaalpassen ter beperking van schade door het skimmen van passen. Iedere pashouder kan vervolgens zijn eigen instellingen al dan niet tijdelijk aanpassen.

De heer X sloot zijn e-mail af met de zinsnede: “Mijn provisie? Vijf jaar lang een nader te bepalen redelijk percentage van de besparingen of de contante waarde ervan.

De Rabobank reageert telefonisch, per e-mail later bevestigd door de heer X, met de mededeling dat de bank een dergelijk idee zelf al in ontwikkeling had.

In mei 2012 kondigt de Rabobank publiekelijk aan dat ze betaalpassen buiten Europa standaard gaat blokkeren. In juni 2012 wordt het nieuwe systeem ook daadwerkelijk geïntroduceerd.

De heer X stelt zich vervolgens op het standpunt dat de Rabobank zijn idee heeft gejat en dat de bank dit systeem niet mag gebruiken zonder hem een vergoeding te betalen.

In de rechtszaak die volgt, eerst voor de rechtbank, daarna voor het Hof, toont de Rabobank middels interne e-mails en memo’s aan dat zij –ruim vóór het eerste telefoontje van de heer X- zelf dit idee al had en doende was dit vorm te geven.

Ook de stelling van de heer X dat hij met de Rabobank geheimhouding afgesproken had weet hij niet te bewijzen.

De heer X krijgt dus nul op het rekest.

Hoe bescherm je een idee?

In dit geval lijkt het erop dat de Rabobank inderdaad hetzelfde idee eerder al in eigen huis had ontwikkeld. Het komt echter vaak voor dat de bedenker van een idee dat vol enthousiasme probeert uit te venten en dan later moet constateren dat men – zonder hem - met zijn idee aan de haal is gegaan. Hoe kan je dat nu (zo veel mogelijk) voorkomen?

Sommige ideeën zijn ‘uitvindingen’ in de zin van de Octrooiwetgeving. In dat geval kan een octrooiaanvraag worden ingediend vóórdat de inhoud van het idee bekend wordt gemaakt aan derden. Het octrooirecht biedt bescherming tegen gebruik door derden.

Veel ideeën kwalificeren niet als octrooiabele uitvindingen, maar hebben wel degelijk commerciële waarde. Ideeën kunnen voor een klein bedrag middels een i-depot worden gedeponeerd bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom. Een i-depot doet echter geen rechten ontstaan maar bewijst alleen maar dat degene die het depot doet dat idee op dat moment gedeponeerd heeft, niet meer en niet minder.

Om dergelijke onbeschermde ideeën te beschermen tegen misbruik doet de bedenker er verstandig aan om, vóórdat hij zijn idee uit de doeken doet, zijn toehoorder een schriftelijke geheimhoudings- en niet-gebruiksovereenkomst te laten tekenen.

De toehoorder zal echter niet snel genegen zijn een dergelijke overeenkomst te tekenen met betrekking tot een hem nog onbekend idee. Het is dus voor de bedenker de kunst om een tipje van de sluier op te lichten om voldoende interesse te wekken zonder meteen de kwintessens van het idee prijs te geven.

In een goede geheimhoudingsverklaring kan bovendien vaak, ter bescherming van beide partijen, een mechanisme worden ingebouwd van gefaseerde openbaarmaking van het idee. Als het idee voor de toehoorder geen nieuw idee is en hij daarom ten aanzien van dit idee niet aan geheimhoudingverplichtingen en dergelijke gebonden wil zijn kan hij in een vroeg stadium verdere openbaarmaking met bijbehorende geheimhoudingsplichten tegenhouden.

Het opstellen van dergelijke overeenkomsten is maatwerk waarbij de specialisten van PlasBossinade  je graag behulpzaam zijn.